Over het genootschap
Wie zijn Frans Olbrechts en Margriet Maurissens?
1. Frans en Margriet voor hun huis in het Onondagareservaat, New York State, VS, 1929, fotograaf onbekend. Collectie Letterenhuis, Antwerpen (O203, n° 167275/20).
Zomer 1926. Frans Olbrechts en Margriet Maurissens huwen op 12 juli. Hij reisde hiervoor terug vanuit New York waar hij zijn studies etnologie aan de Columbia University had aangevat. Het jonge echtpaar vertrekt samen terug naar de Verenigde Staten om er voor tien maanden taalkundig en volkskundig onderzoek uit te voeren bij de Oostelijke Cherokee en andere Native American gemeenschappen, zoals de Iroquois, Onondaga [afb. 1 en 2] en Tuscarora. Ook tijdens Olbrechts’ tweede veldwerkperiode van 1929 tot 1930 vergezelde ze hem. Margriet zal haar echtgenoot levenslang blijven ondersteunen. Ze doet dit toegewijd tijdens zijn veelzijdige en drukke loopbaan als professor aan de Universiteit en als directeur van het Koninklijk Museum van Belgisch-Congo [afb. 3] waar hij in 1946 werd benoemd. In 1955 vergezelt ze haar man naar het toenmalige Belgisch-Congo, Rwanda en Angola. [afb. 4]
2. De jonge Margriet met Lizy Skitu tijdens haar verblijf bij de Cherokee, VS, 1926, fotograaf onbekend. Collectie MAS, Antwerpen (naamdossier Olbrechts).
3. Margriet samen met Frans in zijn rol als directeur van het toenmalige Koninklijk Museum van Belgisch-Congo, jaren ’50, fotograaf onbekend. Collectie Letterenhuis, Antwerpen (O203).
4. Margriet in het Museo de Dundo, Angola, 1955, fotograaf onbekend. Collectie MAS, Antwerpen (naamdossier Olbrechts).
De schildpadrammelaar
In 1958 krijgt Olbrechts ernstige gezondheidsproblemen en wordt hij opgenomen in een ziekenhuis te Aken. Een week voor zijn dood zingt Olbrechts samen met haar Irokese liederen en gebruikt hij lucifersdoosjes als rammelaars. Wellicht gingen hun gedachten toen uit naar hun pasgehuwde jonge jaren en hun verblijf bij de Onondaga. In 1929 waren ze daar ooggetuige geweest van een optreden van het False Face-genezersgenootschap in het huis van een zieke patiënt. Daarbij traden gemaskerde dansers, False Faces, of Valse Gezichten op waarbij de schildpadrammelaar een belangrijk ceremonieel muziekinstrument was geweest.
“De schildpadrammelaar […] is een onmisbaar ceremonieel voorwerp bij de dansen, en behalve de rol van muziekinstrument speelt hij ook die van waardigheidsteken; hij is zoveel als de scepter van den danser.
”
Oprichting Olbrechtsgenootschap
Zoals eerder vermeld richt Margriet elf jaar na het overlijden van haar echtgenoot het Olbrechtsgenootschap op en ze werd de eerste voorzitter. Ze was toen al lid van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde (KBCV). Vanaf de jaren 1970 is ze onder meer ook lid van de Vriendenvereniging van het Etnografisch Museum Antwerpen (VEMA) die in 1973 werd opgericht onder impuls van adjunct-conservator Adriaan Claerhout (1926-2000). Van 1973 tot 2009 heeft de VEMA een sterke stempel gedrukt op het aanwinstenbeleid. Met de talrijke aankopen, giften en legaten wierp de vereniging zich op als een van de belangrijkste donateurs. De VEMA kende ook een erelidmaatschap toe op basis van uitzonderlijke schenkingen of bewezen diensten aan het Antwerpse museum gewijd aan de culturen van Afrika, Oceanië, Amerika en Azië. In 1975 mocht Margriet Olbrechts-Maurissens het eerste erelidmaatschap van de VEMA in ontvangst nemen. Dit omwille van haar eigen verdienste als een van de belangrijkste mecenassen van de Stad Antwerpen alsook voor de waardering van de pioniersrol van haar man in de jaren ‘1930 als de ‘geestelijke vader’ van het Etnografisch Museum.
Verdeling nalatenschap over diverse erfgoedinstellingen
Als weduwe verdeelde Margriet de nalatenschap van haar echtgenoot over diverse erfgoedinstellingen in Vlaanderen. Honderden boeken uit zijn bibliotheek kwamen terecht in de Katholieke Universiteit van Leuven. Olbrechts’ persoonlijke archief, waaronder veldnota’s, en foto’s van hun reizen in Amerika en Afrika werden opgenomen in het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven (AMVC), nu het Letterenhuis, Antwerpen. Daar wordt ook een gipsen dodenmasker en een afgietsel van Olbrechts’ hand bewaard. Andere begunstigde Antwerpse musea en erfgoedinstellingen zijn de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, het Middelheimmuseum, het Rubenshuis, het Volkskunde-, Nationaal Scheepvaart-, en Etnografisch Museum. Deze laatste drie voormalige autonome Antwerpse musea werden in 2009 gefusioneerd in het MAS | Museum aan de Stroom, Antwerpen. Daarnaast vonden ook Afrikaanse cultuurvoorwerpen hun weg naar het Koninklijk Museum van Midden-Afrika (Tervuren).
Een grote privékunstverzameling
Minder bekend is dat Olbrechts tijdens zijn hele loopbaan, vanaf zijn veldwerk in Amerika tot aan zijn verkenningstochten naar West-Afrika en hun reizen naar de voormalige Belgische kolonie Congo , een grote privéverzameling heeft aangelegd. Hij verzamelde dus ook voor zichzelf in zijn functie als directeur van het Koninklijk Museum van Belgisch-Congo. Zowel het verzamelen in een context van koloniale machtsongelijkheid als het verzamelen voor zichzelf vanuit een bevoorrechte professionele positie doet vandaag de dag ethische vraagtekens rijzen. (Wat het privéverzamelen betreft, zijn museummedewerkers thans gebonden aan de deontologische code van ICOM die dergelijke praktijken verbiedt.) In zijn privéverzameling kwamen in het bijzonder veel Afrikaanse kunst- en cultuurvoorwerpen terecht, maar ook religieuze objecten uit Vlaanderen, zoals ex-voto's.
Een groot deel van de omvangrijke privékunstverzameling Olbrechts-Maurissens, waaronder honderden cultuurvoorwerpen uit de vier buiten-Europese continenten, vond tussen 1963 en 1978 via zijn weduwe een weg naar het voormalige Etnografisch Museum Antwerpen. Een deel ervan heeft Margriet aan dit museum verkocht. Een ander deel, dat initieel in langdurige bruikleen was gegeven, werd omgezet in een schenking. Tot deze schenking behoort onder meer het portret van Olbrechts door Jean Van Noten (1903-1982). Deze schilder en tekenaar illustreerde verschillende van Olbrechts’ boeken en ontwierp affiches voor Olbrechts’ tentoonstellingen.
De parel aan de kroon van deze omvangrijke schenking is zonder enige twijfel de zestiende-eeuwse Afro-Portugese ivoren pronkbeker (AE. 1974.0025.0001) die nu in het MAS wordt bewaard. Wanneer, hoe en van wie Olbrechts dit zeldzame kunstvoorwerp in bezit kreeg, is tot op vandaag een onopgehelderde vraag.