Over het genootschap
Frans Olbrechts, biografie in vogelvlucht
1. De jonge Olbrechts, ca. 1922, fotograaf onbekend. Collectie Letterenhuis (0203, n° 162772/7)
Frans Olbrechts wordt op 16 februari 1899 in Mechelen geboren. Van 1912 tot 1916 loopt hij school in het Sint-Romboutscollege te Mechelen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 worden zijn middelbare studies onderbroken. Hij vlucht naar Engeland waar hij zijn studies verderzet aan de Queen Elisabeth Grammar School for Boys te Darlington. In 1917-18 is hij oorlogsvrijwilliger en werkt als tolk bij de geallieerde Engelse, Ierse en Australische troepen. Tijdens het Duitse offensief op de Kemmelberg raakt hij gewond. Na de oorlog is hij twee jaar kantoorklerk in Antwerpen tot hij in 1921 dankzij een studielening van de Universitaire Stichting in Leuven Germaanse Filologie kan studeren. Na deze opleiding aan de Katholieke Universiteit, waar hij promoveert met een scriptie over ‘Een Oud Mechelsch Bezweringsformulier’, studeert hij antropologie aan de Columbia University van New York onder begeleiding van Franz Boas, de stichtende vader van de Amerikaanse culturele antropologie. Olbrechts verricht in die periode etnografisch veldwerk bij verschillende noordelijke Native American gemeenschappen. Na zijn terugkeer in België wordt hij in 1929 benoemd tot attaché bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel. Tot 1935 is hij er verantwoordelijk voor de organisatie van de “Afdeling Etnografie”. Naast een grote interesse voor Europese “volkskunde/volkenkunde”, specialiseert hij zich gaandeweg in de materiële cultuur en kunst van Afrika. Opvallend is dat hij de studie van Afrikaanse kunst benadert zoals men de westerse kunst zou bestuderen. Dat is niet bepaald evident in het begin van de twintigste eeuw toen het stereotiepe koloniale beeld overheerst dat alleen de “westerse beschaafde wereld” kunst produceert die het waard is om te bestuderen. In 1937-38 is hij curator van de grote tentoonstelling Kongo-Kunst in de Stadsfeestzaal aan de Meir in Antwerpen. Als professor in de etnologie aan de Universiteit Gent organiseert hij in 1938-39 één van de vroege veldwerkexpedities naar West-Afrika. In 1947 wordt hij benoemd tot directeur van het toenmalige Koninklijk Museum van Belgisch-Congo in Tervuren (nu het AfricaMuseum). Hij blijft zijn hele loopbaan het docentschap aan de Universiteit Gent met het directeurschap combineren.
Olbrechts staat bekend als een veelzijdig man die een cruciale rol speelt als etnoloog, antropoloog, expeditieleider, curator en schrijver. Bovenal zijn rol als directeur aan een koloniale instelling en zijn privéverzamelpraktijken doen vandaag ethische en deontologische vragen rijzen. Tegelijkertijd is hij een pionier op het vlak van de contextuele antropologie en de Europese studie van de Afrikaanse kunst. Zijn methodieken zijn onder de noemer ‘Belgische school’ bekend geworden. Op 24 maart 1958 overlijdt hij te Aken op 59-jarige leeftijd.
Eerste stappen in de Europese volkskunde: ‘Een Oud Mechelsch Bezweringsformulier’
Tijdens zijn studies Germaanse Filologie in Leuven ontwikkelt Olbrechts een voorliefde voor de Vlaamse volkskunde [afb. 1]. In 1925 promoveert hij met een doctoraalscriptie die wordt bekroond en uitgegeven door de Koninklijke Vlaamse Academie als ‘Een Oud Mechelsch Bezweringsformulier, Uitgegeven, Ingeleid en Verklaard door Dr. F. M. Olbrechts’. Hij plaatst het Mechelse handschrift in een algemeen kader en baseert zich hiervoor op zowel West-Europese publicaties als op buiten-Europese etnologische bronnen. Het proefschrift is een sterk onderbouwde synthese over het wezen en de oorzaak van ziekten in het volksgeloof, over de genezingsmethoden in de volksgeneeskunde en over alle aspecten van het verschijnsel ziektebezwering. Door de publicatie van zijn proefschrift behaalt Olbrechts als laureaat een reisbeurs voor een studieverblijf in de Verenigde Staten. Maurits De Meyer geeft hem het advies om contact op te nemen met professor Franz Boas, toenmalig hoofdredacteur van onder andere de Journal of American Folklore, een tijdschrift dat zich vooral toelegt op de studie van Noordelijke Native American-gemeenschappen. In september 1925 arriveert Olbrechts in New York en gaat hij in de leer bij Boas, die verbonden is aan het Department of Anthropology van de befaamde Columbia University.
Antropologisch onderzoek bij Native American gemeenschappen in Noord-Amerika
In de zomer van 1926 komt Olbrechts terug naar Mechelen om er te trouwen met Margriet Maurissens. Zij vergezelt hem naar New York tijdens zijn tweede studiejaar aan de Columbia University. Op aanbeveling van Boas verricht Olbrechts vanaf oktober 1926 tot en met juni 1927 etnografisch veldwerk bij de Oostelijke Cherokee, in Noord-Carolina. Margriet vergezelt hem ook daar [afb. 2].
2. Margriet en Frans, met hun gastheer Tsikalili (Chikallilli Driver), Williweshi (Will West Long), en familie. Big Cove, Qualla Boundry, North Carolina, VS, 1926-27, fotograaf onbekend. Collectie Letterenhuis, Antwerpen (O203).
Op basis van zijn veldwerkresultaten uit deze periode legt Olbrechts de laatste hand aan ‘The Swimmer Manuscript’, een belangrijke verzameling geschriften van medische recepten en formules van de Cherokee. Het manuscript is oorspronkelijk opgezet door de filantroop en vroege etnoloog en antropoloog James Mooney (1861-1921), op basis van gesprekken met de Cherokee medicijnman Ayuini, alias Swimmer, en aan de hand van het Sequoiah-Cherokee geschrift. Mooney had al in 1891 het onafgewerkte ‘Sacred Formulas of the Cherokees’ uitgebracht. Het is Olbrechts die de studie afmaakt en in 1932 finaal uitgeeft als ‘The Swimmer Manuscript’. De roots van de jonge Olbrechts, verankerd in de Europese volkskunde, zijn nog duidelijk voelbaar in de keuze en aanpak van onderwerp en methodiek. ‘The Swimmer Manuscript’ bevat een uitvoerig hoofdstuk over de medicijnman als individuele persoonlijkheid en als lid van de gemeenschap. Door in te gaan op de verschillende types van genezers op vlak van hun sociale status, hun beroepsethiek, hun roeping en hun initiaties situeert Olbrechts zo’n tien medicijnmannen waarmee hij in een culturele context werkte. Opmerkelijk, zeker voor die tijd, zijn de passages waarin het scepticisme van de genezers en hun houding jegens de witte Amerikaanse bevolking aan bod komt. Hier toont Olbrechts zich als gevoelig observator, met oog voor problemen die pas decennia later fundamentele vraagstukken binnen de antropologie zullen worden.
In 1929 wordt hij benoemd tot attaché bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel. In 1929-30 keert hij samen met zijn echtgenote Margriet terug naar de Verenigde Staten. In de zomer 1929 start hij etnografisch veldwerk bij de Onondaga, in New York State en in de winter van 1930 bij de Oostelijke Cherokee. De False Face en Husk-maskers [afb. 3] die hij goed gedocumenteerd verwerft tijdens die tweede periode worden bewaard in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel. De fotoalbums van zijn veldonderzoek “In de Grote Wazige Bergen bij een Indianenstam” zijn opgenomen in het Olbrechtsarchief van het Letterenhuis te Antwerpen. In 1936-37 reist hij nog een keer terug naar de Verenigde Staten, dit keer als Visiting Professor aan Columbia University.
Expeditie naar West-Afrika in opdracht van het KMKG Brussel
Vanaf 1930 is Olbrechts verbonden aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel waar hij de leiding krijgt over de Etnografische Afdeling. In opdracht van het museum in het Jubelpark voert hij in 1933 een prospectieveldwerktrip uit in West-Afrika. Hij grijpt de kans om mee te reizen met Jean Houzeau de Lehaie (1867-1959), een botanicus, orchideeën- en bamboekenner uit Bergen die Afrikaanse plantencollecties zou verzamelen. De inderhaast ondernomen verkenningstocht van achtduizend kilometer naar het toenmalige koloniale Frans West-Afrika (Afrique Occidentale Française, A.O.F) duurt amper drie maanden [afb. 4]. Het verslag van deze reis door het huidige Marokko, Senegal, Mali, Burkina Faso en Ivoorkust is te lezen in zijn gepopulariseerde boek ‘Het Roode Land der Zwarte Kariatieden’(1935) [afb. 5] Olbrechts verzamelt ongeveer 1729 voorwerpen op 72 verschillende locaties. In de verzameling worden zowel de wetenschappelijke opvattingen van die tijd als Olbrechts’ waardepatronen en esthetische voorkeuren weerspiegeld; wat hij te nieuw, te modern of te lelijk vond, kocht hij niet. De in 1933 voor de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis verworven collecties worden later naar het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika te Tervuren overgebracht. De persoonlijke notitie- en dagboeken, catalogi en fotoalbums van Houzeau bevinden zich nu ook in dit museum.
4. Koloniale kaart van West-Afrika, met reisroute gevolgd door Olbrechts en de botanicus Jean Houzeau de Lehaie in 1933. Collectie MAS, Antwerpen (naamdossier Houzeau).
5.Omslag Het Roode Land der zwarte kariatieden. Davidsfonds, Keurboeken, nr. 14, 1935. Met illustraties van Leo Meurrens. Het boek brengt het verslag van Olbrechts’ eerste reis naar West-Afrika met Jean Houzeau de Lehaie in 1933.
3. Rose Mother Green vertelt over Husk faces. Onondagareservaat, New York State, VS, 1929. Collectie Letterenhuis, Antwerpen (O203, n°162725/50).
Het Atlasproject
Hoewel Olbrechts vanaf 1930 vooral in het buiten-Europese etnologische spoor loopt, blijft zijn interesse deels uitgaan naar de Europese cultuurgeschiedenis, met name de Lage Landen. Hij schrijft en houdt lezingen over de relatie, het verwantschap en de overeenkomsten tussen etnologie en wat toen nog folklore wordt genoemd.
Van betekenis is zijn rol bij de Zuid-Nederlandse Centrale voor Folklore-Onderzoek. In 1932 wordt deze boven de doopvont gehouden, met Olbrechts als secretaris voor de Vlaamse afdeling. De Centrale zou zich concentreren op de realisatie van een volkskunde-atlas, naar analogie met de Atlas der Deutschen Volkskunde. Amper drie jaar later houdt het initiatief op wegens onenigheid in het comité en een misgelopen financiële investering. De plannen voor een Vlaamse volkskunde-atlas komen zo op een laag pitje te staan. In 1937 wordt door voormalig minister van Onderwijs Julius Hoste (1884-1954) vervolgens de Nationale Commissie voor Folklore opgericht die wordt opgedeeld in een Vlaamse en Waalse afdeling en die nauwelijks iets met elkaar te maken hebben. De Vlaamse atlasplannen verdwijnen opnieuw naar de achtergrond. Via een jaarboek wordt verslag gebracht van wetenschappelijk onderzoek.
In 1956 neemt de Vlaamse sectie van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde de werking over. In 1998 houdt de KBCV op te bestaan en worden de taken overgenomen door het Vlaams Centrum voor Volkscultuur, dat op 1 januari 2008 opgaat in FARO.
FARO, het Vlaams steunpunt voor de cultureel-erfgoedsector, ondersteunt erfgoedwerkers uit archieven, erfgoedbibliotheken, erfgoedcellen, organisaties die zich toespitsen op immaterieel erfgoed, landelijke dienstverlenende organisaties en musea.
Docent aan La Cambre
In 1939 is Olbrechts ook lesgever aan de École National Supérieure d’ Architecture et des Arts décoratifs, gevestigd in de Abdij Ter Kameren, Brussel. De school wordt in 1926 opgericht door de Belgische architect Henry Van de Velde (1863-1957) als Nationale Hoogere School voor Sierkunst. Van de Velde zoekt van bij de aanvang een verscheidenheid van docenten om een pluriforme opleiding aan te bieden. In Olbrechts’ cursus Les Arts populaires, formes et fonctions bespreekt hij als casus de Zuid-Slavische volkskunst. Hij baseert zich daarbij op resultaten van een studiereis naar de Balkan die hij met zijn echtgenote heeft ondernomen. [afb. 6 en 7] In 1941 zal hij in samenwerking met de Joegoslavische onderzoekster Danica Brössler (1912-1993) die de leiding van een kantschool heeft, een artikel wijden aan in Kroatië verzamelde spreekwoorden.
Vanaf de jaren 1940 zal Olbrechts in de wereld van de Vlaamse en bij uitbreiding Belgische ‘volkskunde’ nauwelijks nog aanwezig zijn.
6. Foto genomen tijdens de reis van Frans en Margriet in Zuidoost-Europa (toenmalige Joegoslavische Republiek) met spinnende vrouwen. Hrvatska Posvina, 1939, fotograaf onbekend. Collectie MAS (naamdossier Olbrechts).
7. Moslimvrouw met een paard, geladen met houtblokken. Sarajevo, 1939. Foto genomen tijdens Frans’ en Margriets reis naar de toenmalige Joegoslavische Republiek, nu Bosnië en Herzegovina. Collectie MAS (naamdossier Olbrechts).
Professor te Gent
Vanaf 1932 is Olbrechts verbonden aan de Universiteit Gent [afb. 8] waar hij het vak ‘Kunst der Primitieve en Half-Beschaafde Volkeren’ doceert. Ondanks de beladen titel, die vandaag als choquerend leest, is Olbrechts eigenlijk op een missie om het omgekeerde aan te tonen; met name, dat dergelijke veruiterlijking van cultuur wel degelijk kunstvormen zijn die niet moeten onderdoen voor de West-Europese kunsttraditie. Hij is hierdoor de eerste Belgische onderzoeker die Afrikaanse kunst als zodanig benoemt. Bij zijn benoeming in 1935 aan de Universiteit Gent zegt hij zijn museumambt in het Jubelpark op. In 1936-37 keert hij nog eenmaal terug naar de VS, als Visiting Professor bij zijn voormalige leermeester aan Columbia University (zie hierboven). In 1939 richt hij aan de Universiteit Gent uiteindelijk het ‘Centrum voor de Studie der Afrikaansche Kunst’ op, waaruit later een volwaardige opleiding zal voortkomen binnen de opleiding Kunstwetenschappen. Olbrechts ontwikkelt vanaf dan zijn focus op vormanalyse, of morfologie, met bijzonder veel aandacht voor ‘de figuur van de kunstenaar’. Zijn methodes worden stilaan meer kunsthistorisch.
8. Professor Olbrechts (uiterst links) met enkele studenten, waaronder Albert Maesen, Jozef Weyns, en Edith, dochter van de kunstschilder Fritz Van den Berghe, op het dak van het HIKO, Universiteit Gent, ca. 1935. Collectie Letterenhuis, Antwerpen (0203).
Tentoonstellingsmaker in Antwerpen
Vanaf 1936 is Olbrechts ook in Antwerpen actief als lid van de Raadgevende Commissie die instaat voor het overkoepelende beheer van de Musea van Oudheden en Toegepaste Kunst van het Steen, Vleeshuis en Brouwershuis. Hij is verantwoordelijk voor een grondiger inventarisatie en herschikking van de collectie Afrika, Oceanië, Amerika en Azië. Onder zijn impuls wordt de museale werking grondig gereorganiseerd en professioneler aangepakt. Hij wordt tevens de bezieler voor de oprichting van een zelfstandig Etnografische Museum voor de Stad Antwerpen (waarvan de collecties Wereldculturen sinds 2011 in het MAS, Museum aan de Stroom zijn ondergebracht).
In 1937 wordt Olbrechts door het bestuur van de Antwerpse koloniale havenstad aangeduid als curator van een grote tentoonstelling Kongo-Kunst [afb. 9] Hij selecteert niet minder dan 1500 cultuurvoorwerpen uit de toenmalige Belgische kolonie Congo (de huidige Democratische Republiek Congo). Deze Congolese kunst- en gebruiksvoorwerpen worden publiek getoond in de Antwerpse Stadsfeestzaal aan de Meir. Ze zijn afkomstig uit de collecties van het Museum Vleeshuis en het “koloniale museum van Tervuren”. Daarnaast ontleent hij talrijke objecten uit privécollecties via zijn netwerk met Belgische politici, Antwerpse zakenmensen, en missiecongregaties die een prominente rol spelen in de kolonisatie van Midden-Afrika.
De tentoonstelling Kongo-Kunst, gerealiseerd in opdracht van het Antwerpse stadsbestuur, is opgericht als een propagandamiddel voor de Belgisch kolonisatie van Midden-Afrika en als ondersteuning van de Antwerpse haven. Toch vertoont Olbrechts’ aanpak voor die tijd enkele vooruitstrevende ideeën. Hier ziet hij zijn kans om Afrikaanse kunst op basis van zijn gedachtegoed op een innovatieve manier aan het publiek te presenteren. Het parcours biedt de bezoeker een inzicht in de diverse stijlgebieden die Congo rijk is. In dit onderdeel worden de Afrikaanse cultuurvoorwerpen vooral als kunst tentoongesteld. Olbrechts’ inzicht dat geïsoleerde kunstobjecten weinig nuttige informatie verschaffen over de Congolese cultuur en bevolking, leidt tot een contextuele benaderingswijze van het tweede luik. In dit onderdeel komen niet enkel Afrikaanse ‘topstukken’ aan bod, maar ook gebruiksvoorwerpen uit het dagelijkse leven. Hier kan hij de betekenis van de voorwerpen in het sociale en religieuze leven van de diverse bevolkingsgroepen onder de aandacht brengen. Naast de Afdeling “Kunst in Kongo” samengesteld door Olbrechts met medewerking van Albert Maesen (1915-1992), komt er ook een historisch luik “Afrika en Antwerpen in vroeger eeuwen” toegevoegd onder leiding van Jan Denucé (1878-1944). Het succes van de tentoonstelling Kongo-Kunst en onder meer ook Olbrechts’ nauwe netwerk met een aantal kapitaalkrachtige bruikleengevers, de Universiteit Gent en het Stadsbestuur van Antwerpen, leiden kort erna tot de Ivoorkustexpeditie.
9. Affiche van de tentoonstelling Kongo Kunst Antwerpen uit 1937, naar een ontwerp van Jean Van Noten. Lithogravure. Collectie MAS, Antwerpen (AE.2001.0026.D).
De Ivoorkustexpeditie (1938-39)
“Van een tocht, niet op zoek naar goud of ivoor, noch ebbenhout of radium, maar naar dat wat Afrika misschien nog ooit beroemder zal maken dan al de schatten die het aan mineralen in zijn schoot bergt: zijn kunst en zijn kunstenaars.
”
Olbrechts’ belangrijkste historische bijdrage, is de organisatie van de Ivoorkustexpeditie (november 1938 - september 1939), een samenwerking tussen het Antwerpse Museum Vleeshuis en de Universiteit van Gent. In de vooroorlogse crisisjaren is een dergelijke onderneming niet vanzelfsprekend. Bijkomende financiering komt uit de hoek van het Belgische en vooral het Antwerpse mecenaat, onder wie talrijke rijke privéverzamelaars die betrokken zijn geweest bij de tentoonstelling Kongo-Kunst. De sponsoring gebeurt met recht op een aandeel van de cultuurvoorwerpen die in situ zouden worden verzameld. In de vooroorlogse crisisjaren is een dergelijke onderneming niet vanzelfsprekend. Bijkomende financiering komt uit de hoek van het Belgische en vooral het Antwerpse mecenaat, onder wie talrijke rijke privéverzamelaars die betrokken zijn geweest bij de tentoonstelling Kongo-Kunst. De sponsoring gebeurt met recht op een aandeel van de cultuurvoorwerpen die in situ zouden worden verzameld.
Olbrechts coördineert en superviseert het hele gebeuren en is aanwezig tijdens het veldwerk gedurende korte trips, maar het zijn twee van Olbrechts’ studenten, Pieter-Jan Vandenhoute (1913-1978) en Albert Maesen (1915-1992), die het grondige en langdurige veldwerk verrichten. [afb.10] Allebei opgeleid als kunsthistorici doen ze kunstantropologisch veldwerk bij naburige bevolkingsgroepen in Ivoorkust. Maesen bij de Senufo en Vandenhoute bij de Dan, Wè en Diomandé-Mau. Hun onderzoek richt zich op het artistieke scheppingsproces, de verschillende kunststijlen, en de rol en betekenis van de kunstenaar in Afrikaanse samenlevingen. Ze keren aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog uit Afrika terug. De door Vandenhoute en Maesen aangelegde verzamelingen zouden van 4 tot 19 mei in de tentoonstelling “Ivoorkust expeditie” worden getoond. [afb.11] Op 18 mei echter, bij de Duitse inname van Antwerpen, werden de deuren van de Stadsfeestzaal vroegtijdig gesloten. De weerslag van hun onderzoek resulteert in 1946 in hun doctoraalscriptie. De doctoraten van Vandenhoute en Maesen zijn de eerste ter wereld die specifiek handelen over Afrikaanse kunst. Pas in 1952 worden de cultuurvoorwerpen die tijdens de expeditie zijn verworven onder de verschillende aandeelhouders verdeeld. Een groot deel ervan schenken de Antwerpse mecenassen in 1955 aan het voormalige Etnografisch Museum Antwerpen, dat kort ervoor, in 1952 is opgericht. Vandaag zijn de verzamelde objecten ondergebracht in het GUM (Gents universiteitsmuseum) en het MAS, Museum aan de Stroom, Antwerpen. Vandenhoute zal later Olbrechts opvolgen als professor aan de UGent, terwijl Maesen later werkzaam zal worden aan het Museum van Belgisch-Kongo (nu AfricaMuseum, Tervuren).
Het belang van de Ivoorkustexpeditie is nauwelijks te onderschatten: ze markeert het eerste onderzoek dat specifiek gericht is op ‘de figuur van de kunstenaar’ als ‘scheppend genie’. Olbrechts geeft specifiek de opdracht om het volledige scheppingsproces te illustreren, van ruw stuk hout tot het afgewerkte masker of beeld, inclusief de gebruikte materialen, werktuigen en grondstoffen. De namen van de kunstenaars worden nauwlettend genoteerd en er worden interviews afgenomen en getranscribeerd, wat resulteert in zeer nauwgezette kennis over de kunst en de cultuur van zowel de Dan als de Senufo ten tijde van de expeditie.
Directeur van het Koninklijk Museum voor Belgisch-Congo (Tervuren)
Zoals hierboven al vermeld wordt Olbrechts in 1947 benoemd tot Directeur van het Museum van Belgisch-Kongo [afb. 12] in Tervuren (later het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, nu AfricaMuseum). Tegelijk blijft hij verbonden als professor in de Afrikaanse Kunstgeschiedenis aan de UGent. Omwille van de bekendheid van het Tervuurse koloniale museum zal hij zich internationaler sterker weten te profileren. Het door hem in 1948 te Brussel georganiseerde Congrès International des Sciences Anthropologiques et Ethnographiques heeft daar grotendeels toe bijgedragen. Als bestuurslid en voorzitter van de afdeling Menswetenschappen van het in 1948 opgerichte Instituut voor Wetenschappelijk Onderzoek in Centraal-Afrika (IWOCA), staat Olbrechts aan de basis van het antropologisch veldwerk in de toenmalige Belgische kolonie en naburige Afrikaanse landen. Het IWOCA maakt het mogelijk om een programma op te starten ter ondersteuning van langdurig professioneel veldwerk in Afrika. Hierdoor krijgen jonge Belgische wetenschappers de kans om hun theoretische opleiding in de praktijk om te zetten. Vermeldenswaard in deze context zijn de intussen overleden internationaal bekende Belgische IWOCA-onderzoekers die baanbrekend werk hebben verricht, zoals antropoloog Daniel Biebuyck (1925-2019), etnoloog en cineast Luc de Heusch (1927-2012) en historicus en antropoloog Jan Vansina (1929-2017), die een autoriteit werd op het gebied van Centraal-Afrika. Ook enkele missionarissen werkzaam in het voormalige Belgisch-Congo kunnen via ondersteuning van het IWOCA antropologisch onderzoek uitvoeren. De bekendste van deze “paters-antropologen” zijn Gustaaf Hulstaert (1900-1990) die publicaties wijdde aan de Mongo en Léon de Sousberghe (1903-2006) met zijn publicatie L’art Pende.
Onder Olbrechts’ directeurschap wordt in 1955 het tijdschrift Congo-Tervuren, onder de auspiciën van de vereniging ‘Vrienden van het Koninklijk Museum van Belgisch-Kongo” uitgegeven.
10. Detail geposeerde koloniale groepsfoto met Olbrechts (midden), zijn studenten Pieter-Jan Vandenhoute (links) en Albert Maesen (rechts), en Danmeisjes in Man, Ivoorkust, 1938-39. Collectie MAS, Antwerpen (AE.2000.0279.D).
11. Affiche voor de tentoonstelling gewijd aan de Ivoorkustexpeditie (1938-39) in de Stadsfeestzaal. Ontwerp door Jean Van Noten. Lithogravure. 1940. Collectie MAS, Antwerpen (AE.2001.0027.D).
12. Olbrechts op het balkon van het directeurspaviljoen van het toenmalige Koninklijk Museum van Belgisch-Congo, Tervuren. Collectie Letterenhuis, Antwerpen (O203).
13. Margriet als gastvrouw tijdens een receptie voor de jonge prins Akihito (°1933), de latere keizer van Japan (1989-2019), voormalig Koninklijk Museum voor Belgisch-Congo, 1953. Fotocliché: Frères Haines. Collectie MAS, Antwerpen (naamdossier Olbrechts).
Wetenschappelijke en populariserende publicaties
Vanuit zijn “Vlaamse” overtuiging verkiest Olbrechts zijn leven lang bijna uitsluitend in het Nederlands te publiceren, ook al vermindert daardoor zijn kans op internationale bekendheid. [afb. 14]. Uitzonderingen zijn onder meer de Engelse publicaties over zijn antropologisch onderzoek bij Native American gemeenschappen en de Franse bijdragen tijdens zijn functie als directeur van het voormalige Koninklijk Museum van Belgisch-Kongo.
De ganzenveer illustreert het belang dat Olbrechts hechtte aan zijn schrijverschap. In de linkerhoek is een geknielde schaaldraagster afgebeeld. Het gaat om een sculptuur van de kunstenaar die Olbrechts identificeerde als ‘Meester van de lange gezichtsstijl uit het Congolese dorp Buli’, een noodnaam voor een niet-gedocumenteerde Lubakunstenaar. De schaaldraagster maakt nog steeds deel uit van de verzameling van het AfricaMuseum (Tervuren). Rechts bevindt zich een Onondagamasker uit gevlochten maïshulzen dat hij in Amerika verwierf voor de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (Brussel).
Hij schrijft zowel wetenschappelijke als populariserende werken. Tot deze laatste behoren Kunst van Vroeg en van Verre (1929) [afb. 15], de kronieken van zijn West-Afrikaanse reizen zoals Het Roode land der zwarte Kariatieden (1935) en Maskers en dansers in den Ivoorkust (1940) [afb. 16] en Vlaanderen zendt zijn zonen uit! (1942). [afb. 17] Deze gepopulariseerde boeken, op wetenschappelijke basis gefundeerd, verschijnen in grote oplages gedrukt door het katholieke en Vlaamsgezinde Davidsfonds.
In 1936 verschijnt zijn volgens de normen van die tijd erg gewaardeerde wetenschappelijke handboek Ethnologie: een inleiding tot de studie der primitieve beschaving. [afb. 18] Deze publicatie bevat een inleiding tot de antropologie die in die tijd in de Belgische universitaire wereld geldt als een nog erg onbekende, onderschatte en verwaarloosde wetenschap maar vandaag een kritische lezing vergt.
In het kader van de tentoonstelling Kongo-Kunst (1937-38) werd met medewerking van Jan Denucé een bescheiden catalogus gedrukt. Het boekje zal als basis dienen voor Olbrechts’ opus magnum, ‘Plastiek van Kongo’, dat hij al in 1939 heeft afgewerkt, maar dat, door de Tweede Wereldoorlog, pas in 1946 zal verschijnen. [afb. 19] Het boek geldt als één van de belangrijkste referentiewerken in de kunstgeschiedenis van Congo en, bij uitbreiding, de Afrikaanse kunstgeschiedenis. Pas in 1959, een jaar na Olbrechts’ overlijden, komt de Franse vertaling “Les arts plastique du Congo-belge” op de markt.
Het manuscript werd in 1940 voltooid maar ging pas in 1946 ter perse. In het eerste deel werkt Olbrechts in de traditie van de morfologisch-stilistische analyse die de Italiaanse kunsthistoricus Giovanni Morelli (1816-1891) ontwikkelde voor de studie van de renaissancekunst. In het tweede deel geeft Olbrechts een contextueel gerichte benadering met een uiteenzetting over de functie van het Congolese kunstwerk. De Franse vertaling verscheen postuum in 1959.
Olbrechts’ herinnering leeft vandaag voort in zijn talrijke geschriften en in het werk van generaties van studenten die hij opleidde en die een waaier van functies vervulden in binnen- en buitenland in de vakgebieden van de Volkskunde en Folklore, de Etnologie en Antropologie, en de Afrikaanse kunstgeschiedenis. Hij wordt internationaal erkend als de stichtende vader van de zogenaamde “Belgian School”, de academische discipline van de Afrikaanse kunstgeschiedenis, gemixt met methodieken uit de antropologie. Die methodieken uit de antropologie bleven hem zijn hele leven bij; ze waren hem aangeleerd door niemand minder dan de stichtende vader van de Amerikaanse culturele antropologie, Franz Boas. Hierdoor prijkt Olbrechts bovenaan tussen de grootste namen die de disciplines van kunst en antropologie - wat nu de discipline van de kunstantropologie is - mee ontwikkeld en mee vorm hebben gegeven.
14. Olbrechts’ ex libris, ontworpen door Jean Van Noten, Collectie MAS, Antwerpen (naamdossier Olbrecht).
15. Omslag Kunst van vroege en van verre, Leuven, Davidsfonds, 1929.
16. Omslag Maskers en dansers in de Ivoorkust. Davidsfonds, Volksboek, nr. 290, 1940. Met illustraties van Jean Van Noten.
18. Omslag Ethnologie, Antwerpen, Standaard Boekhandel, 1936.
19. Omslag Plastiek van Kongo. Olbrechts met medewerking van Albert Maesen, Antwerpen, Standaard Boekhandel, 1946. Met illustraties van Jean Van Noten.
17. Omslag Vlaanderen zendt zijn zonen uit! Davidsfonds, Volksreeks n°304, 1942. Gedrukt op oorlogspapier. Met illustraties van Jean Van Noten.